Bij mij roept de aanblik nog steeds herinneringen op aan verlaten weilanden in de buitenlandbelovende leegte bij plaatsen als Beek, Nieuwenschans en Hazeldonk. Langs de weg eerst de waarschuwingsborden ‘laatste benzinepomp voor de grens’, als een niet uitgesproken vraag of je dit nou echt wel zou doen. En dan, als finale stap op de springplank naar het ongewisse, het gebouwtje van De Grenswisselkantoren. Nederig ontworpen afscheidsbunkertjes, uitkijkend op het land van franken of marken. Opgericht in de tijd dat reizen een expeditie was, ondersteund door kloeke delen van de Europese Wegenatlas, uit het vaderland meegebrachte koffie en als laatste anker de Algemene Nederlandse Wielerbond met hun dagelijkse Oproepberichten op een krakende transistor (‘reizend in een mahoniehouten Morris Minor vermoedelijk in de richting van...’). Altijd gehoopt dat ik zo’n familie met overhangend noodlot op datzelfde moment zou zien rijden, maar het wanhopige van de contactpogingen sijpelde al door in de toon van de oproep. Reizen was risico, een risico dat net aan getemd kon worden met zo’n vertrouwd instituut als De Grenswisselkantoren. De laatste groet bij een envelop vol vreemde biljetten, het eerste welkom bij de overgebleven munten.
Ik had echt met ze te doen, toen de euro en Schengen kwamen. Douanekantoren werden aan de boomwortels geofferd. De naburige Grenswisselkantoren pakten hun biezen en nestelden zich langs de nieuwe geldsnelwegen. Om daar, oh wonder van standvastigheid, te floreren. Of in elk geval te overleven.
Zelfs in het verdomhoekje van de Delftse tunnelbouw, laat de mevrouw van de GWK-balie, ingesloten door de Cromme Lijn, me weten. Ruim vijfendertig jaar zitten ze daar, als een kleurig vergroeisel aan het station. En wat haar betreft blijft dat zo, door geen bouwhek van de wijs te brengen. Een verzoek heeft ze ook. WIJ ZIJN OPEN. Wilt u dat erbij zetten?
Maar natúúrlijk.
Jos Lammers, auteur van kinderboeken en reisverhalen