“Ik ben mijn energie totaal kwijt”, zegt een jongetje, hangend over zijn fiets, tegen zijn vriendje, ook met de fiets.
“Waar heb je die dan gelaten?” vraagt die.
“Geen flauw idee”, zegt de eerste weer.
Bij wat nog krap aan een tramhalte is, staan een man en een vrouw. Ze hebben dikke jassen en grote koffers en zijn het praten ruimschoots voorbij. Zij tuurt naar een tram die maar niet komt. Hij naar een hokje tegen de wind dat de mannen van de Cromme Lijn als een dief in de nacht bij zichzelf voor de deur hebben gezet.
Mijn moeder belt. Ze heeft met haar huisarts een zelfgekozen einde besproken. En met de plaatselijke juwelier wat een plastic zak met oude sieraden nou zo’n beetje op zou brengen. Niet veel, zei hij, glurend tussen de gekreukte hengsels van het tasje van de Plus. Ze doet het evengoed, zegt ze. “Anders komt er toch maar ruzie van. Straks.”
Het is grijs. Het is koud. De lucht is gevuld met kleine kille druppeltjes die aan je wenkbrauwen blijven hangen. Je hebt van die dagen.
Maar eens wordt het voorjaar. En ooit komt er een krakend nieuwe halte. Of in elk geval die tram. Toch?
Jos Lammers